Ongekend Onrecht

Overeenkomsten tussen de Indische Kwestie en de Kinderopvangtoeslag Affaire

Formeel gezien is zowel in de Kinderopvangtoeslag affaire als in de Indische Kwestie sprake van schending van de grondbeginselen van de rechtstaat, een haperende informatievoorziening en onrecht voor betrokkenen. De regering heeft gereageerd met een buitenwettelijke regeling voor compensatie (in het eerste geval zeer snel, in het andere geval zeer traag en laat), waardoor toetsing door de rechter wordt beperkt. Gelukkig lijkt er nu wel ruimte te zijn voor individuele gevallen.

KINDEROPVANG-TOESLAG AFFAIRE

Het onlangs gepubliceerde verslag van de Parlementaire ondervragingscommissie Kinderopvangtoeslag “Ongekend Onrecht stelt onder meer dat:

  1. de grondbeginselen van de rechtstaat zijn geschonden;
  2. de informatievoorziening niet op orde is en
  3. ouders ongekend onrecht is aangedaan:

Het rapport heeft kritiek op onder meer: de spijkerharde wetgeving en de alles-of-niets benadering – waardoor geen recht kon worden gedaan aan individuele situaties -, gebrek aan empathie en de menselijke maat.

De vereiste balans tussen de wetgevende macht, de uitvoerende macht en de rechtsprekende macht heeft in dit geval de ouders niet de noodzakelijke bescherming geboden („Zij stonden machteloos tegenover machtige instituten van de rechtsstaat, die hen niet de bescherming boden die zij verdienden”).

De maatschappelijke verontwaardiging over de conclusies in het rapport is zo groot dat het kabinet zeer snel na de publicatie een buitenwettelijke regeling heeft vastgesteld om de gedupeerde ouders te compenseren. Het is te hopen dat zij deze compensatie snel zullen ontvangen.

De gehele affaire illustreert hoe faliekant mis het kan gaan met (de vaststelling, uitvoering en toetsing van) wettelijke regelingen en hoeveel burgers daar (onbedoeld) slachtoffer van kunnen worden.

DE INDISCHE KWESTIE

De Indische Kwestie betreft het uitgebleven rechtsherstel voor de Indische, de Molukse en andere bevolkingsgroepen, die destijds Nederlands-Indië om politieke redenen moesten verlaten. Het gaat meer in het bijzonder om de nooit uitbetaalde salarissen van geïnterneerde Gouvernementsambtenaren respectievelijk wedde van krijgsgevangen KNIL-militairen (de ‘Backpay’) over de jaren van de Japanse bezetting van Nederlands-Indië en de vergoeding van geleden materiële oorlogsschade.

In zijn boek ‘Blauwe Brieven, Indische Ontrechting’ (2019) concludeert Henk Harcksen dat opvolgende Nederlandse regeringen (Balkenende, Rutten) er niet in zijn geslaagd in de Indische Kwestie volledig rechtsherstel te realiseren. 

Het Gebaar (in 2000) was een genoegdoening voor de kille ontvangst van betrokkenen in Nederland en had niets van doen met rechtsherstel. 

De Backpay-regeling (2015) is tot stand gekomen in een proces dat niet transparant was en de kenmerken van ongelijke behandeling in zich draagt door de hantering van een discutabele peildatum. Bovendien is voor deze laatste regeling gekozen voor een buitenwettelijke regeling, waardoor de toetsingsmogelijkheden door een onafhankelijke rechter werden beperkt en de rechtsgang voor weduwen van betrokkenen onmogelijk is gemaakt. Harcksen concludeert dat in de afhandeling van de Indische Kwestie de grondbeginselen van de rechtsstaat zijn geschonden en de informatievoorziening niet op orde was (is).

BACKPAY-REGELING

De Backpay heeft betrekking op de nooit uitbetaalde salarissen van geïnterneerde Gouvernementsambtenaren respectievelijk wedde van krijgsgevangen KNIL-militairen (de ‘Backpay’) over de jaren van de Japanse bezetting van Nederlands-Indië.

In 2015 heeft de regering een buitenwettelijke regeling vastgesteld, waarin aan op 15 augustus 2015 nog in leven zijnde Gouvernementsambtenaren en KNIL-militairen een eenmalige uitkering wordt toegekend. Weduwen van betrokkenen hebben geen recht op de uitkering.

De Backpay-regeling gaat NIET over rechtsherstel.

HET GEBAAR

In 2000 heeft de Nederlandse regering een gebaar op zijn plaats geacht als ‘erkenning van achteraf geconstateerd teveel formalisme, bureaucratie en vooral kilte in het rechtsherstel en vermoedelijke tekortkomingen in het Indisch rechtsherstel in combinatie met diverse andere problemen waarmee de oorlogsslachtoffers zich na de Japanse bezetting in Nederlands-Indië geconfronteerd zagen – met name de vijandige bejegening door Indonesiërs die naar onafhankelijkheid streefden en de grenzen die de ontwikkelingen in de periode tot aan de soevereiniteitsoverdracht hebben gesteld aan het rechtsherstel – [een gebaar op zijn plaats acht] en dientengevolge gelden ter beschikking [heeft] gesteld teneinde recht te doen aan de kritiek op de bejegening van de betrokken oorlogsslachtoffers in het rechtsherstel en de gevolgen die dat heeft gehad voor hun verdere bestaan.’

Het Gebaar bestond uit individuele uitkeringen ‘voor hen, die de opvang aan den lijve hebben ondervonden’ en fondsen voor collectieve erkenning.

Het Gebaar gaat NIET over rechtsherstel.

Onafhankelijk onderzoekster/journalist Griselda Molemans heeft diverse boeken geschreven over dit onderwerp, zoals ‘Opgevangen in andijvielucht (2014)’ en ‘Levenslang oorlog (2019)’. Zij komt op basis van haar wetenschappelijk onderzoek tot de volgende (financiële) claims voor rechtsherstel:

  1. Thaïs smartengeld voor dwangarbeiders langs de Birma-Thailandspoorweg;
  2. Japans smartengeld;
  3. Indonesische herstelbetalingen; 
  4. Backpay;
  5. KNIL-pensioenen; 
  6. Bank- en spaarsaldi;
  7. Verzekeringspolissen;
  8. Geconfisqueerde verdiensten van de 70.000 ’troostmeisjes’ in Nederlands-Indië;
  9. Opgelegde schulden voor het tijdelijk verblijf in een kamp c.q. contractpension in Nederland.

Het gaat om een veelheid van betrokkenen en de omvang van deze claims is (zeker na 75 jaar) ongekend hoog (geworden). De Nederlandse regering heeft deze claims nooit erkend en verwezen naar andere landen (bijv. Japan en Indonesië). Inmiddels is de eerste claim aanhangig gemaakt bij de Nederlandse regering.

Indisch Platform 2.0 ijvert al jarenlang voor de Indische Kwestie en is erin geslaagd politiek de aandacht te trekken. Rondetafelgesprekken en veelvuldig contact met vertegenwoordigers van de Tweede Kamer hebben onder meer geleid tot kamervragen en moties. Daarvan is misschien wel de belangrijkste, de recente motie van de heren van Gerven en Kerstens om een commissie van wijzen in te stellen, die een ‘finaal oordeel velt over de wijze waarop de Nederlandse Staat het rechtsherstel van de Indische gemeenschap in Nederland vorm zou moeten geven’.

KINDEREN GROEIEN OP IN ARMOEDE:

ONGEKEND EN ONHERSTELBAAR

De voorzitter van de commissie Kinderopvangtoeslag, de heer J.C.L. van Dam, stelt:

“Wij hebben ons rapport de titel ‘Ongekend onrecht’ meegegeven. Ongekend omdat getroffen ouders jarenlang niet gezien zijn in wat hen is aangedaan. Ongekend gelet op de omvang van de schade die hen is aangedaan. Als je kinderen in armoede moeten opgroeien, dan is dat ongekend en onherstelbaar.”

Deze zinnen kunnen evengoed van toepassing worden verklaard op de Indische Kwestie.

De laatste zin treft dan nog wel het meeste. Ontheemde Nederlandse onderdanen, die om politieke redenen hun (geboorte)land moesten verlaten, zijn decennialang opgescheept met terugbetalingen (maandelijks 60% van het gezinsinkomen!) van voorschotten voor onder meer de overtocht naar Nederland, opvang, kleding en meubilair. En dat, terwijl zij al hun bezittingen hadden achterlaten en hier een nieuw bestaan moesten opbouwen. Daardoor heeft de Nederlandse regering willens en wetens kinderen in armoede laten opgroeien. En dat is inderdaad ‘ongekend en onherstelbaar’.

Het is te hopen dat de commissie van wijzen inderdaad wordt ingesteld en dat het onrecht aangedaan aan de Indische, Molukse en alle andere relevante gemeenschappen wordt onderkend. En dat er in overleg met betrokkenen op transparante wijze passende maatregelen worden getroffen, waarbij empathie en de menselijke maat leidend zijn. En laat de regering die maatregelen vooral vastleggen in wetten, die kunnen worden getoetst door de rechter.

Daarmee is het vertrouwen in de rechtstaat gebaat.